logo_background
next previous

Göksu

Goksu_blog

Nell: Göksu, de hemelse wateren van Istanbul

Volkskrant-journaliste Nell Westerlaken bezocht Istanbul voor haar onderzoek naar reizende vrouwen in de 19de eeuw.

Het mooie van Istanbul: als je de stadse drukte wilt afschudden, hoef je maar op een veerboot te stappen aan de voet van de Galatabrug. De stoffige stadswind maakt meteen plaats voor een verse bries. Eenmaal los van de kade word je opgenomen in een wereld van manoeuvrerende schepen, woelig water en brutale zeemeeuwen. Hengelaars op de bruggen, hengelaars langs de waterkant. En waar je ook vaart, het uitzicht is panoramisch.

Paviljoen_bosporus 

Veerboten

Uit dat panorama pik je een landschap naar keuze aan de Gouden Hoorn, of aan de Bosporus. Daar ga je aan land, theedrinken, een uurtje, tot de volgende veerboot komt. Uren, nee dagen breng ik door op die boten, pendelend tussen Europa en Azië, van het stadscentrum naar de vele buitenwijken en weer terug. Dankzij die onvolprezen veerboten hoef ik ook geen uren in een bus of een taxi te zitten om in Göksu te komen, een groen stadsdeel aan de Anatolische, oostelijke kant van Istanbul. 

Paleis 

In de voetsporen van Ida Hahn-Hahn 

Ik volg de sporen van Ida Hahn-Hahn, een avontuurlijke Duitse gravin die in 1843 de boel de boel liet in haar Pruisische vaderland en een maandenlange reis maakte naar de Oriënt, het Oosten.
Dat Oosten begon in Constantinopel, het huidige Istanbul, indertijd de hoofdstad van het Ottomaanse rijk. De sultan en zijn entourage zetelden ’s winters in het Topkapı Paleis. In de zomer verbleven ze in een van de paleizen aan de Bosporus waar de wind de temperatuur wat draaglijker maakte. Ze maakten graag een uitstapje naar Göksu, de ‘hemelse wateren’ van Constantinopel. 

 
 

Terrace 

Plezierbootjes en Ottomaanse huizen 

Ook andere welgestelde Turkse dames trokken er graag op uit naar Göksu, schrijft de gravin. Naar de koele grasvelden onder de platanen, de olmen en de eiken. Kreken en riviertjes kwamen gemoedelijk uit de groene heuvels kabbelen. De vrouwen arriveerden in arraba’s, bont beschilderde wagens die werden voortgetrokken door met kleurrijke spiegeltjes versierde osn dat ‘hemelse’ had ik me 171 jaar na dato niet veel voorgesteld. Die uitdijende metropool is allang over dat romantische beeld heen gewalst, meende ik.

 

Aangenaam verrast 

Daarom is het een aangename verrassing als ik van de veerboot stap in een parkachtig stadsdeel waar de riviertjes nog niet zijn afgedamd. Tot de jaren zestig was hier nauwelijks bebouwing, nu heerst er de lome sfeer van een dorp in goeden doen. Steigers omzomen de waterkant. Aan de grote liggen jachten, aan de kleine plezierbootjes. Jonge stellen laten hun benen in het water bungelen of eten een visje op het terras van hippe restaurants. Achter hen liggen de met cipressen en palmen bedekte heuvels, waar moderne villa’s op zijn geplakt.

Ook zijn wat Ottomaanse huizen uit de 19de eeuw bewaard gebleven in Göksu, houten huizen met twee verdiepingen waarvan de bovenste deels boven de onderste uitsteekt, huizen met erkers en overdekte balkons, precies zoals gravin Ida ze gezien moet hebben. Sommige zuchten van vermoeidheid en kreunen in de wind die dag na dag komt aanzetten vanaf de Zwarte Zee. ‘In de winter moeten ze barbaars koud zijn’, schreef de gravin over die huizen. Maar ze staan er tenminste nog. Ze hebben een paar generaties branden en oorlogen overleefd. De tochtige, onpraktische huizen van weleer zijn ontdekt door een nieuwe generatie Turken die oog heeft voor de charme van vroeger en geld voor restauratie. 

Een bruidspaar poseert voor de fotograaf op de trappen van een oude buitenplaats, ongedwongen, gehurkt op verweerde stenen. Het zou de gravin een gruwel zijn geweest. Stevig gekneed in de traditie van de Pruisische landadel nam ze anderen de maat. Zo zag ze hoe de Turkse dames op tapijten in het gras ging zitten. “Ik vind dat eeuwige gehurk op de grond hoogst ongracieus”, schreef ze pinnig in haar dagboek. “Een weinig mondvoorraad wordt uitgepakt en zo vegeteert men de halve dag buiten.” De vrouwen aten suikerwerk, ze kletsten en rookten tabak, stelde de gravin met misprijzen vast. 

Tegenwoordig zouden we dit ‘vegeteren’ picknicken noemen of chillen. In Göksu kan dat gelukkig nog altijd. In de tuin van het grote paviljoen Sabanci Ögretmenevi aan de Bosporus bijvoorbeeld, waar nu de laatste rozen van de zomer bloeien en kinderen zich vermaken in klimtoestellen. Of bij het jachtpaviljoen dat sultan Abdul Medjid in 1857, veertien jaar na het bezoek van de gravin, hier liet bouwen aan het water. De vorst bestierde een rijk in het oosten, maar keek voor de laatste mode liever naar het Westen: de muren van dit neobarokke Küçüksu Paleis lijken te golven van de stenen krullen, gebeeldhouwde guirlandes en gedraaide pilaartjes. Binnen twinkelt het zonlicht in kristallen kroonluchters uit Bohemen. In gedachten zie ik de lakeien af en aan rennen als de sultan en zijn gevolg terugkwamen van de jacht. 

Het terras van het paleis ligt pal aan de Bosporus, waar de hele dag reusachtige vrachtschepen voorbijvaren. Opeens zie ik mijn veerboot opduiken achter een van die reuzen. Te laat, die haal ik niet meer. Er zit niets anders op dan nog een uurtje te ‘vegeteren’ aan de waterkant. Ik koop wat fruit en een glas thee en ga ‘ongracieus’ op de grond zitten, mijn voeten over de kade-rand. Chill! De veerboten van Istanbul zijn aangenaam, af en toe een veerboot missen is nog leuker!